2.7 Behandeling eerste jaar HVZ

 
  • Start leefstijladvisering(link naar 2.2.3.)+ individueel zorgplan (link naar 2.2.1.)
  • Antihypertensiva (link naar 2.3.1.) bij een SBD > 140 mmHg waarbij de voorkeursmedicatie afhangt van de aandoening. Bij het instellen op bloeddrukverlagende behandeling na een doorgemaakte HVZ dient rekening te worden gehouden met gebruik van overige medicatie en comorbiditeit .
  • Statines (link naar 2.3.2.) bij een LDL > 2,5 mmol/l. Bij een zeer sterk verhoogd risico op HVZ (bijvoorbeeld bij een recidief hart- en vaatziekte ondanks 2adequate behandeling, of zeer premature HVZ in de familie) kan een lagere LDL-streefwaarde worden gehanteerd.
  • Acetylsalicylzuur(link naar 2.3.3.), tenzij er een indicatie is voor orale antistollingstherapie (bijvoorbeeld bij atriumfibrilleren, structurele hartafwijkingen, kunstkleppen en vaatprothesen). Bij patiënten met overgevoeligheid voor acetylsalicylzuur kan clopidogrel worden voorgeschreven.
  • Bij ouderen met HVZ wordt geadviseerd het gebruik van plaatjesremmers, orale antistolling, antihypertensiva en statines te continueren, tenzij interacties of een korte levensduur op de voorgrond staan, aangezien deze middelen ook bij deze leeftijdsgroep een significante daling van ziekte of sterfte door HVZ geven.

Behandeling van patiënten met hartaandoeningen

  • Bij patiënten met een coronaire ziekte zijn bètablokkers geïndiceerd, ongeacht de hoogte van de bloeddruk.
  • Na coronaire revascularisatie, een hartinfarct en bij hartfalen verbeteren ACE-remmers de prognose. Dit effect wordt deels verklaard vanuit de bloeddrukverlagende werking van deze medicatie en deels vanuit andere mechanismen. Ook in geval van een normale bloeddruk zijn ACE-remmers geïndiceerd als deze worden verdragen. In geval van kriebelhoest als bijwerking kunnen ARB's worden voorgeschreven.
  • Bij patiënten met gedocumenteerd symptomatisch coronairlijden(link naar NHG standaard Angina Pectoris in bijlagen) of een doorgemaakt hartinfarct zijn(link naar NHG standaard Beleid na doorgemaakt myocardinfarct)  statines geïndiceerd, ongeacht de initiële hoogte van het TC en LDL.

Behandeling van patiënten met een TIA(link naar NHG standaard TIA) of CVA(link naar NHG standaard CVA)

  • Acetylsalicylzuur én dipyridamol geïndiceerd indien de bijwerkingen van deze medicatie dit toelaten. Dipyridamol opbouwen tot 2 maal daags 200mg. Langzaam opbouwen kan de belangrijkste bijwerking (hoofdpijn) verminderen.
  • Na een TIA of ischemisch CVA ten gevolge van atriumfibrilleren of een andere cardiale emboliebron blijven patiënten in aanmerking komen voor een cumarinederivaat. Gelijktijdige toediening van een cumarinederivaat en een plaatjesaggregratieremmer wordt niet aanbevolen. Bij een indicatie voor een cumarinederivaat kan de plaatjesaggregratieremmer worden gestopt.
  • Ook bij een SBD ≤ 140 mmHg een indicatie voor bloeddrukverlagende behandeling als deze wordt verdragen.
  • De taakverdeling binnen de huisartspraktijk staat beschreven in het hoofdstuk taakdelegatie. (link naar 5.)

Aanbeveling

Na een acuut event verdient het de aanbeveling, dat een stabiele patiënt voor CVRM zo snel mogelijk wordt terugverwezen naar de eerste lijn. Dit zou kunnen gebeuren obv “shared care”: de huisarts is verantwoordelijk voor CVRM, de specialist voor diagnostiek en interventies op cardiovasculair gebied.

–  Overwegingen hierbij:

  • Een groot deel van de patiënten, dat getroffen wordt door een cardiovasculair event, was al bekend waren met een verhoogd risico en dus al onder behandeling hiervoor bij de huisarts. Dit dient niet of zo kort mogelijk onderbroken te worden. Het moment van een event kan er mogelijk ook toe leiden dat leefstijlveranderingen gerealiseerd kunnen worden, waarvoor patiënt tot dan toe niet te motiveren was. Door lang te wachten kan die motivatie weer verminderen hetgeen een gemiste kans is in de zorg voor de CVRM patiënt.
  • Verder zal de medicatie in een deel van de gevallen aangepast moeten worden omdat er een overgang is van primaire naar secundaire preventie.
    • Ook patiënten die getroffen worden door een event en nog niet bekend waren met een verhoogd risico kunnen heel goed binnen een eerstelijns-DBC behandeld worden voor hun cardiovasculaire risicofactoren. De structuur en het gespecialiseerde personeel is voorhanden om hen dicht bij huis en door de jaren goed te begeleiden. De behandeling van een event en de eventueel noodzakelijke revalidatie kunnen gescheiden gezien worden van het cardiovasculair risicomanagement.
    • Voor reeds bestaande afspraken tussen eerste en tweede lijn wordt verwezen naar de desbetreffende LTA’s. (link naar bijlagen D. LTA’s)

© 2019 Steunpunt KOEL