2.6 Behandeling follow up verhoogd risico

Voor een blijvend effect van de niet-medicamenteuze en medicamenteuze behandeling dient een duidelijke follow-up te worden afgesproken. Het controleschema wordt individueel opgesteld, afhankelijk van het risicoprofiel, de (co)morbiditeit en de persoonlijke wensen van de patiënt, maar minimal 1/jaar. Het is van groot belang bij elk contact te informeren naar de therapietrouw (zowel medicamenteus als niet-medicamenteus) en daar bij de behandeling rekening mee te houden. Bij patiënten die roken is het belangrijk het stoppen met roken te bevorderen door hier regelmatig op terug te komen. Samenwerking tussen patiënt, behandelend arts en andere (paramedische) behandelaars is gewenst. De taakverdeling in de huisartspraktijk staat beschreven in het hoofdstuk taakdelegatie (link naar 5.).

Controlefrequentie

Voor alle patiënten is na juiste instelling van de medicamenteuze behandeling (link naar 2.3.) reguliere controle van het risicoprofiel noodzakelijk.

Aanbevelingen:

–         Na instelling van de behandeling is jaarlijkse evaluatie van de therapie gewenst, waarbij
           tevens wordt nagegaan of er veranderingen hebben plaatsgevonden in het risicoprofiel
           (bijvoorbeeld roken, HVZ in de familie, SBD, BMI)

–         Bij nierfunctiestoornissen, gebruik van diuretica, ACE-remmers of ARB’s (link naar 2.3.1.)
          worden ook het serumkalium- en serumcreatininegehalte jaarlijks gecontroleerd

–         Pogingen om na een goede instelling de medicatie te staken of de dosering te verlagen
           worden niet aangeraden, tenzij de indruk bestaat dat de bloeddruk tijdelijk verhoogd
           was door lichamelijke of geestelijke stressoren

–         Aangezien patiënten met een verhoogd risico op HVZ eveneens een verhoogd risico
          hebben op DM, wordt aanbevolen eens per 3 tot 5 jaar het nuchtere glucose te bepalen.

 

© 2019 Steunpunt KOEL