2.5 Behandeling eerste jaar verhoogd risico

Onder verhoogd risico wordt verstaan een 10-jaarsrisico op HVZ ≥ 20% of een risico van 10% tot 20% in aanwezigheid van risicoverhogende factoren. (link naar 1.2.5.)

Behandeling:

Start leefstijladvisering(link naar 2.2.3.)+ individueel zorgplan(link naar 2.2.1.)

Antihypertensiva (link naar 2.3.1.) en/of statines (link naar 2.3.2.) bij een SBD > 140 mmHg en/of een LDL > 2,5 mmol/l

Bij rokers: stoppen met roken (link naar 2.2.5.) voorkeur boven het direct starten met antihypertensiva (link naar 2.3.1.) of cholesterolverlagers (link naar 2.3.2.)

Controleschema is afhankelijk van de gestarte medicatie:

Controle bloeddruk

–        Gedurende de instelling van medicamenteuze antihypertensieve therapie wordt de bloeddruk
          iedere 2 tot 4 weken gecontroleerd. Mocht de bloeddruk onvoldoende reageren ondanks
          behandeling met drie middelen in maximale dosering, evalueer dan het beleid (zie
          hoofdstuk Behandeling  bij therapieresistentie).

–        Bij gebruik van een ACE-remmer (of ARB) en/of een diureticum dienen het
          serumcreatininegehalte, de (via de MDRD-formule) geschatte glomerulaire filtratiesnelheid
          (eGFR) en het kaliumgehalte in het bloed steeds 10 tot 14 dagen na elke aanpassing van
          de dosering te worden gecontroleerd. Na het bereiken van de onderhoudsdosering van de
          ACE-remmers (of ARB) en/of het diureticum dienen deze nog een keer na 3 en 6 maanden
          te worden gecontroleerd en daarna elk jaar.

–        Enige daling van de nierfunctie (eGFR) na de start met een ACE-remmer (of ARB) en/of
          diureticum kan als normaal worden beschouwd. Voor het beleid bij daling van de nierfunctie
          gelden de volgende adviezen:

    • daling van de eGFR tot 20%, met 30 ml/min als ondergrens, is nog acceptabel. Wel dient dan te worden afgezien van verdere dosisverhogingen.
    • bij een eGFR tussen de 15 en 30 ml/min wordt dosishalvering van de ACE-remmer (of ARB) of het diureticum geadviseerd.
    • bij een daling onder de 15 ml/min dient de ACE-remmer of het diureticum geheel te worden gestaakt.
    • bij een aanhoudende lage waarde van de eGFR (< 30 ml/min) zijn metabole complicaties te verwachten en wordt consultatie van een internist aanbevolen, zie ook de Landelijke Transmurale Afspraak Chronische nierschade (link naar D.c.)

–        Bij hypokaliëmie zijn thiaziden gecontraïndiceerd als monotherapie. Indien gekozen wordt
          voor een niet-kaliumsparend diureticum, wordt na 2 weken het serumkaliumgehalte
          gecontroleerd. Bij een kaliumgehalte < 3,5 mmol/l moet onderzoek naar de oorzaak
          daarvan worden verricht.

–         Bij een verlaagde eGFR moet het effect van de behandeling op het serumcreatinine- en
           kaliumgehalte na 2 weken worden gecontroleerd. Ook op langere termijn en bij acute
           verstoringen van de gezondheid dienen het serumcreatinine- en kaliumgehalte te worden
           gecontroleerd.

Controle lipiden

–         Na start van de behandeling met statines wordt driemaandelijks het LDL gecontroleerd en de
           medicatie geëvalueerd totdat de streefwaarde is bereikt.

–         Na het bereiken van de streefwaarde wordt het beleid jaarlijks geëvalueerd. Controle van de
           lipiden is dan alleen nodig bij LDL-verhogende aandoeningen, met name hypothyreoïdie en
           familiaire hypercholesterolemie, bij ontwikkeling van DM, belangrijke veranderingen van
           leefstijl en bij postmenopauzale vrouwen die zwangerschapscomplicaties zoals DM, hypertensie
           en pre-eclampsie hebben doorgemaakt.

In grote lijnen verzorgt de huisarts de medicatie en de verwijzing naar de tweede lijn; de POH geeft de leefstijladviezen en bespreekt het individueel zorgplan en verzorgt verwijzing naar paramedici. Voor uitgebreidere taakomschrijving zie hoofdstuk 5. Taakdelegatie.(link naar 5.)

 

© 2019 Steunpunt KOEL