1.2.4 a Hypertensie

Omdat de bloeddruk varieert in de tijd, wordt de hoogte van de bloeddruk vastgesteld op basis van meerdere metingen gedurende een langere periode:

  • Licht verhoogde bloeddruk (SBD 140-160mmHg): meerdere metingen over enkele maanden
  • Sterk verhoogde bloeddruk (SBD>180mmHg) of alarmsignalen/eind orgaanschade of ongunstig cardiovasculair risicoprofiel: meerdere metingen in enkele dagen/weken
  • Zeer sterk verhoogde bloeddruk (>200mmHg): 3 metingen tijdens één consult

Stress, lichamelijke klachten (waaronder pijn of overgangsklachten) en sommige medicatie, voedingsstoffen of genotsmiddelen kunnen leiden tot (voorbijgaande) hoge bloeddruk. Een na verloop van tijd opnieuw gemeten bloeddruk kan dan normaal blijken. Indien de hoge bloeddruk persisteert, dienen de bloeddrukverhogende middelen zo mogelijk te worden vermeden.

Bloeddrukverhogende medicatie en middelen

  • NSAID’s (inclusief acetylsalicylzuur en selectieve COX-2-remmers)
  • Sympathicomimetica (decongestiva, sibutramine, cocaïne)
  • Orale anticonceptiva
  • Alcohol
  • Glycyrretinezuur bevattende producten (o.a. drop, zoethout en sommige kauwgums)
  • Erytropoëtine
  • Cyclosporine
  • Stimulantia ((dex)methylfenidaat, (dextroof met)amfetamine, modafinil)
  • Sommige kruiden (efedra, ma huang)

De mate waarin deze middelen bloeddrukverhogend werken, is zeer variabel: in de meeste gevallen treedt geringe of geen bloeddrukverhoging op, maar soms ernstig of extreem. Ouderen en patiënten met diabetes of chronisch nier falen zijn gevoeliger voor de bloeddrukverhogende effecten van NSAID’s dan anderen.

Bloeddrukmeting in de dagelijkse praktijk

In de dagelijkse praktijk zijn er drie soorten bloeddrukmeting:

  • Gestandaardiseerde spreekkamer bloeddrukmeting (link naar F.a.)
  • Door de patiënt zelf thuis: thuis bloeddrukmetingen (link naar F.b.)
  • Ambulante bloeddrukmeting of 24uurs meting (link naar F.c.)

De indicaties en uitvoeringen van bovenstaande bloeddrukmetingen zijn te vinden door door te linken op de desbetreffende meting.

Voor de risicoschatting wordt uitgegaan van de gestandaardiseerde spreekkamerbloeddrukmeting. De behandeling kan worden geëvalueerd aan de hand van de streefwaarden in onderstaande tabel.

Streefwaarden afhankelijk van de meetmethoden van de bloeddruk

Meetmethode

Streefwaarde SBD

spreekkamer

≤ 140 mmHg (bij 80-plussers 150-160 mmHg)

thuis, protocollair

≤ 135 mmHg

ambulant, 24 uur

≤ 130 mmHg

SBD = systolische bloeddruk.

Een zeer sterk verhoogde bloeddruk of symptomatologie kan wijzen op een hypertensieve crisis (hypertensie met acute (verergering van) schade aan hersenen, hart, nieren, grote bloedvaten of ogen) of secundaire hypertensie. Het al of niet aanwezig zijn van acute of progressieve tekenen van orgaanschade is bepalend voor de snelheid van handelen. Ernstige hypertensie zonder symptomen of acute eind orgaanschade wordt niet beschouwd als een hypertensieve crisis maar als een risicofactor voor HVZ.

Spoedonderzoek naar het bestaan van orgaanschade is geïndiceerd bij:

  • Een SBD > 200 mmHg, tenzij de patiënt hier in het verleden reeds mee bekend was
  • Een SBD ≤ 200 mmHg, maar recente objectieve sterke bloeddrukstijging
  • Hypertensie met klachten als hoofdpijn, visusstoornissen, misselijkheid of braken
  • Aanwijzingen voor cardiovasculaire complicaties, zoals dyspnoe, pijn op de borst of pijn tussen de schouderbladen
  • Aanwijzingen voor cerebrale complicaties, zoals veranderde gemoedstoestand, verlaagd bewustzijn, neurologische uitvalsverschijnselen, verwardheid of convulsies
  • Aanwijzingen voor (acuut) hartfalen
  • Graad-III of -IV-hypertensieve retinopathie

Voor de start van behandeling wegens hypertensie wordt het serumkaliumgehalte bepaald.

Bij controles van de bloeddruk wordt geadviseerd de regelmaat van de pols te controleren; bij behandeling met bètablokkers is controle van de polsfrequentie nuttig.

Bij moeizaam in te stellen of lang bestaande hypertensie, of bij verdenking op atriumfibrilleren of een acuut coronair syndroom kan een ecg worden gemaakt. De consequentie van een eventueel gediagnosticeerde linkerventrikelhypertrofie is echter niet anders dan bij de diagnose hypertensie, namelijk adequate behandeling.

Bij de diagnose atriumfibrilleren (link naar NHG standaard Atriumfibrilleren) en verdenking op een acuut coronair syndroom (link naar NHG standaard Acuut coronair syndroom) wordt verwezen naar de vigerende richtlijnen.

Nader onderzoek naar secundaire hypertensie is geïndiceerd bij:

  • klinische aanwijzingen zoals tekenen van het syndroom van Cushing
  • hypokaliëmie (≤ 3,5 mmol/l)
  • vermoeden van chronische nierschade (zoals hiervoor beschreven)
  • therapieresistente hypertensie (TRH) (link naar 2.3.4.): SBD > 140 mmHg (80+>160mmHg) ondanks gebruik van drie verschillende antihypertensiva in adequate doses

© 2019 Steunpunt KOEL