4.1. Patiënten in huisartsenpraktijk

Indien de patiënt voldoet aan één van de volgende voorwaarden wordt deze behandeld in de huisartsenzorg:

  1. Geen vermoeden van DSM-benoemde stoornis;
  2. Vermoeden DSM-benoemde stoornis:
    a. Met licht of subklinische ernst,
    b. Laag risico,
    c. Complexiteit laag of afwezig,
    d. Duur (beloop) van de symptomen, beantwoordt (nog) niet aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld;
  3. Stabiele chronische problematiek, niet crisisgevoelig en met een laag risico;

Patiënten die volgens de verwijscriteria naar de GBGGZ of SGGZ kunnen worden verwezen, maar de voorkeur geven aan behandeling / begeleiding door de huisartsenpraktijk. De huisarts en POH GGZ dienen hier duidelijke afspraken over te maken, waarbij motiveren voor een verwijzing onderdeel uitmaakt van de begeleiding.

© 2019 Steunpunt KOEL