7.1. Behandeling hypertensie

In de NIV-richtlijn Diabetische Nefropathie worden in aansluiting op de NIV-richtlijn Cardiovasculair risicomanagement de volgende waarden gehanteerd wat betreft de diagnose hypertensie:

  • spreekuurbloeddruk                     > 140/90 mmHg
  • 24-uurs-ambulante meting          > 125/80 mmHg
  • zelfmeting                                    > 135/85 mmHg 

Medicamenteuze therapie
Bij de medicamenteuze therapie van hypertensie bepaalt men of er sprake is van albuminurie aan de hand van de albumine/kreatinine ratio in de ochtendurine.

Bij normoalbuminurie

  • Stap 1: start, (indien het serumkalium >3,5 mmol/l) met een thiazide diureticum (max.12,5 mg hydrochloorthiazide of chloortalidon).
  • Stap 2: toevoegen van een ACE-remmer of, als deze niet wordt verdragen, van een AII antagonist. Verhoog deze tot de streefwaarde bereikt is of de maximale dosering bereikt is.
  • Stap 3: toevoegen van een calciumantagonist of een selectieve bètablokker.
  • Stap 4: toevoegen een selectieve bètablokker of een calciumantagonist, overweeg consult internist
  • Stap 5: consult internist.

Voor informatie over bovengenoemde medicatie zie overzicht medicatie.

Bij microalbuminurie
Wissel stap 1 en stap 2 à

  • Stap 1.: toevoegen van een ACE-remmer of, als deze niet wordt verdragen, van een AII antagonist. Verhoog deze tot de streefwaarde bereikt is of de maximale dosering bereikt is.
  • Stap 2: start, (indien het serumkalium >3,5 mmol/l) met een thiazide diureticum (max.12,5 mg hydrochloorthiazide of chloortalidon). 

Algemene noot: er wordt afgeraden meer dan drie soorten antihypertensiva tegelijkertijd voor te schrijven, ook al wordt de streefwaarde niet geheel bereikt. Tijdens de instelling van de antihypertensieve behandeling wordt de bloeddruk twee- tot vierwekelijks gecontroleerd. Voordat en twee weken na starten van een ACE-remmer of AII-antagonist wordt de nierfunctie bepaald.

Verwijsafspraak:

 

© 2019 Steunpunt KOEL