6.6.6. Insuline en onregelmatige diensten

In het geval van onregelmatige diensten wordt er door de patiënt op verschillende tijden gewerkt, en dus ook op verschillende tijden geslapen en gegeten. In het geval van een 1dd insulineregime i.c.m. bloedglucoseverlagende medicatie moet er gezocht worden naar een moment op de dag waarop de patiënt vrijwel altijd wakker is en de insuline dus op een vast tijdstip kan worden gespoten. Vaak is dit tussen 6-8 uur in de ochtend. Een lang werkend insuline-analoog met 24-uurs werking heeft de voorkeur. De dosering kan zo nodig nog worden aangepast op geleide van de nuchter glucosewaarde.

Een 2dd insuline-mix regime is lastiger in deze situaties. Praktischer is dan een 3-4d basaal-bolus insulineregime. De lang werkende insuline-analoog kan dan op een vast tijdstip in de (vroege) ochtend worden gespoten en de snelkortwerkende insuline-analoog bij de maaltijden, en zo nodig tussendoor bij (onverwacht) hoge bloedglucosewaarden. De dosering kan ook worden aangepast op basis van de preprandiale glucosewaarde.

Vaak zijn er voor de verschillende dagen verschillende regimes nodig. Door frequente zelfcontrole leren de meeste patiënten hoe zij het beste om kunnen gaan met onregelmatige werktijden. Bij blijvend sterke bloedglucoseschommelingen moet de overschakeling op een insulinepomp worden overwogen.

© 2019 Steunpunt KOEL