6.6.5. Spuitinfiltraten

Bij een stijging van de insulinebehoefte zonder duidelijke verklaring moet altijd gedacht worden aan de mogelijkheid van een spuitinfiltraat. Spuitinfiltraten zijn afwijkingen in het subcutane vetweefsel, die bij frequent injecteren van insuline op één plaats kunnen ontstaan. Dit verschijnsel komt bij 30-50% van de patiënten voor. Er is meestal sprake van vaste of hard aanvoelende ‘bobbels’. Door de ontstekingsreactie en bindweefselvorming op deze plaatsen worden de insuline minder goed geresorbeerd en kan er een (forse) stijging van de insulinebehoefte optreden.Patiënten die insuline gebruiken moeten minstens eenmaal per jaar gecontroleerd worden op deze spuitinfiltraten. Gedurende het eerste jaar dat de patiënt met insuline wordt behandeld, iedere drie maanden controle spuitplaatsen verrichten.

Wanneer er sprake is van een spuitinfiltraat: andere injectieplaats en andere injectiezone kiezen. Meestal treedt er vervolgens een (sterke) daling op van de bloedglucosespiegel als dezelfde insulinedosis gehandhaafd wordt. Dus, een lagere insulinedosering gebruiken (vaak maar de helft van de oude dosering) en frequente controle van de bloedglucosespiegel. De spuitinfiltraten zijn te voorkomen door dagelijks te wisselen van injectieplaats volgens het rotatieprincipe en de injectieplaatsen regelmatig te controleren.

 

© 2019 Steunpunt KOEL