2.3. Stap 2: leefstijlinterventie en orale bloedsuikerverlagende middelen

De leefstijlinterventies zoals beschreven bij Stap 0 blijven van kracht.

  • Verhoog de dosering van SU-derivaat elke twee tot vier weken op basis van de nuchtere bloedglucosewaarde.
  • Ga over naar de volgende stap (stap 3) als ophoging van de dosis door bijwerkingen of door het bereiken van de maximale dagdosis niet meer mogelijk is en de glykemische instelling vastgesteld met het HbA1c onvoldoende is.

De streefwaarde van het HbA1c is afhankelijk van de leeftijd, behandeling en ziekteduur. Op basis hiervan zijn er vier categorieën te onderscheiden. Factoren zoals aanwezigheid van micro- en/of macrovasculaire complicaties, comorbiditeit, kwetsbaarheid, risico’s van eventuele hypoglykemie, levensverwachting, haalbaarheid en motivatie van de patiënt kunnen redenen zijn om, in overleg met de patiënt, van deze indeling af te wijken.

1.         HbA1c -streefwaarde ≤ 53 mmol/mol: alle patiënten jonger dan 70 jaar, evenals patiënten van 70 jaar en ouder mits alleen behandeld met leefstijladvisering of metformine monotherapie (onafhankelijk van ziekteduur).

2.         HbA1c -streefwaarde 54-58 mmol/mol: patiënten van 70 jaar en ouder met een ziekteduur korter dan 10 jaar vanaf behandelstap 2.

3.         HbA1c -streefwaarde 54-64 mmol/mol: patiënten van 70 jaar en ouder met een ziekteduur van 10 jaar of langer, vanaf behandelstap 2.

4.         Een hogere streefwaarde geldt voor kwetsbare ouderen en mensen met een korte levensverwachting (arbitrair: korter dan 5 jaar). Er is bij deze patiënten geen bewijs dat een laag HbA1c zinvol is. Het behandeldoel is vooral het voorkomen van symptomatische hypoof hyperglykemie. Glucosewaarden van 6-15 mmol/l en HbA1c -waarden van 53-69 mmol/mol zijn bij deze patiënten acceptabel.

Overweeg bij patiënten van 70 jaar en ouder bij wie de HbA1c-waarde op metformine monotherapie oploopt tot boven 53 mmol/mol, direct een sulfonylureumderivaat toe te voegen.

Keuzemogelijkheden stap 3 en 4, indien behandeling met insuline (of intensiveren van de insulinebehandeling) niet gewenst is.

* Betrek bij de keuze naast het BMI ook andere factoren, zoals mate van gewenste HbA-daling, leefstijl, therapietrouw, contra-indicatie, veiligheid op langere termijn en vergoeding

^ DPP-4-remmers hebben de voorkeur op basis van toedieningsvorm, vergoedingsvoorwaarden en kosten.

# GLP-1-receptoragonisten hebben de voorkeur in verband met het gunstige effect op het gewicht.

© 2019 Steunpunt KOEL