10.3. Diabetes mellitus en palliatief of symptomatisch beleid

Palliatief en algemeen symptomatisch beleid bij gevorderde dementie

Het is van belang om pragmatisch om te gaan met diabetes mellitus bij patiënten met (gevorderde) dementie.

Het belangrijkste behandeldoel verandert van scherpere instelling en voorkomen van complicaties op lange termijn naar het bieden van comfort, zo min mogelijk (medicamenteuze) belasting van de patiënt en het voorkomen van complicaties

door hypo-/ hyperglykemieën.

Voor de instelling op langere termijn kan gestreefd worden naar een minder scherpe instelling.

Afspraken moeten worden opgenomen in een behandelplan.

Bijvoorbeeld medicatieaanpassing bij weigering van medicatie of eten en hoe hiermee dient te worden omgegaan.

 

Diabetes mellitus en de laatste levensfase

De behandeling van diabetes mellitus in de laatste levensfase moet bepaald worden aan de hand van de levensverwachting (langer of korter) en hangt uiteraard volledig af van de wensen en de toestand van de patiënt.

Behandeling is gericht op comfort en voorkomen van bijwerkingen van de behandeling.

  • Het is belangrijk om onderhoudsmedicatie vooral in de terminale fase te blijven evalueren.
  • Bij kwetsbare ouderen met diabetes mellitus die insuline gebruiken: insuline dosis verminderen tot helft of tweederde van de eerdere dosis (eventueel extra aanpassen bij gewichtsverlies of verminderde voedingsintake bij anorexie of braken). In ieder geval is het nodig een lage dosis insuline te continueren om ketoacidose te voorkomen.
  • Bij kwetsbare ouderen met diabetes mellitus die orale medicatie gebruiken is voorzichtigheid geboden met middelen die meer aanleiding geven tot hypoglykemieën, zoals de SU derivaten. Dit geldt met name bij achteruitgang van de leverfunctie: overweeg om metformine en SU derivaten te halveren of te stoppen
  • Houd bij metformine rekening met gastrointestinale bijwerkingen (misselijkheid en anorexie!).

 

Zowel bij een langere of kortere levensverwachting in palliatieve fase geldt dat de noodzaak om lange termijncomplicaties te voorkomen niet meer aanwezig is, waardoor het doel van de diabetes mellitus-behandeling verandert:

  • versoepel eventuele voedingsbeperkingen
  • zo min mogelijk bloedglucose controles.

 

Strakke aanbevelingen zijn niet zinvol, doorgaans kan in de laatste levensfase bij het gebruik van orale medicatie eenmaal per week en bij insuline tweemaal per week met een glucosecontrole worden volstaan, afhankelijk van intake en conditie van de patiënt

richt op bloedglucoses tussen 10 en 20 mmol/l

  • vermijd hypoglykemie.
  • verminder de dosis van orale medicatie wanneer de eetlust en/of het gewicht afnemen.
  • evalueer de noodzaak van corticosteroïden en wees alert op symptomen van hyperglykemie.
  • besteed aandacht aan vroege herkenning en behandeling van orale candida infectie of andere infecties.
  • bespreek en leg deze maatregelen uit aan patiënt en familie en noteer in dossier.
  • overweeg verwijzing/overleg met palliatief team.

Bij een levensverwachting van slechts enkele dagen geldt dat:

  • als de patiënt bij bewustzijn is en de hyperglykemie symptomatisch is: controle glucose en bijregelen met kortwerkende insuline bij glucose > 20 mmol/l.
  • als patiënt niet bij bewustzijn is, in principe alle medicatie stopzetten
  • geen glucosecontroles meer doen.

 

© 2019 Steunpunt KOEL