1.5.2. Moeilijk instelbare bloedsuikerspiegel

Van een moeilijk instelbare bloedsuikerspiegel wordt gesproken wanneer de glucose langere tijd niet goed geregeld is.

Bij alle diabetespatiënten kunnen na verloop van tijd ontregelingen ontstaan van het glucosemetabolisme. Naast oorzaken die gelegen zijn in, bijvoorbeeld, het hebben van onderliggend lichamelijk lijden (dit moet altijd door een arts bevestigd zijn); worden de meeste ontregelingen veroorzaakt door de fouten die de patiënten zelf maken. (Veel oorzaken zijn gelegen in het feit dat er bij patiënten met DM2 een grote kans is, dat zij fouten maken bij de zelfcontrole, Nijpels, 2003).

Hieronder is een lijst weergegeven van vragen die minimaal gesteld moeten worden, voor een patiënt naar de huisarts gestuurd wordt of vanuit de eerste lijn verwezen wordt naar de tweede lijn. Voor patiënten die al in de tweede lijn behandeld worden is de vragenlijst een goed hulpmiddel om erachter te komen wat er eventueel aan de hand zou kunnen zijn, voordat de patiënt naar de internist gaat.

Vragen                                                                                 

  1. Heeft u zelf een idee waardoor de ontregeling is ontstaan?
  2. Bent u ziek geweest?
  3. Bent u onlangs in het buitenland geweest?
  4. Bent u anders gaan eten?
  5. Heeft u een dieet gevolgd?
  6. Bent u meer gaan bewegen, of juist minder?
  7. Bent u andere medicijnen gaan gebruiken? (denk ook aan prednisongebruik!)
  8. Gebruikt u voor de zelfcontrole strips die nog goed zijn en niet verlopen?
  9. Hoe oud is uw glucosemeter?
  10. Is de glucosemeter die u gebruikt onlangs geijkt?
  11. Wast u uw handen voordat u gaat meten?
  12. Heeft u stress op uw werk of in uw privéleven?
  13. Is uw thuissituatie veranderd?

Wanneer patiënt insuline gebruikt dient u ook de volgende vragen te stellen:

  1. Werkt uw insulinepen nog goed? (wanneer u hiervan niet zeker bent, vraag de patiënt dan om een nieuwe pen in gebruik te nemen, of de reservepen te gaan gebruiken)
  2. Heeft u de juiste hoeveelheid insuline gespoten? (wanneer hier onzekerheid over bestaat, NOOIT de dosis opnieuw laten spuiten, maar handelen als bij een acute ontregeling.
  3. Is de insuline bevroren geweest? (wanneer dit het geval is alle voorraad weggooien
  4. en direct nieuwe insuline halen bij de apotheek)
  5. Zijn er infiltraten aanwezig? (beter is dit zelf te checken, aangezien de patiënt niet
  6. altijd zal weten waar hij op moet letten)
  7. Gebruikt u elke keer dat u insuline spuit een nieuwe naald?
  8. Dient u zelf de insuline toe, of doet iemand anders dit?

Elke praktijk heeft patiënten die niet goed  in te stellen zijn. Dit is een groep die extra aandacht nodig heeft, maar deze aandacht niet altijd vraagt. Het kunnen mensen zijn die heel trouw op het spreekuur komen en alles lijken te doen wat voorgeschreven wordt. Maar ook mensen die niet komen opdagen of elke keer dat ze op het spreekuur zijn  haast lijken hebben om weg te komen.

Het is altijd de taak van de DVK/POH om te achterhalen wat de reden is van het niet goed ingesteld zijn van de patiënt. Wanneer de POH/DVK de indruk heeft dat de voorlichting en de leefregels niet goed opgevolgd worden is het belangrijk in gesprek te gaan met de patiënt om te bekijken wat de reden is.

Bedenk altijd dat de patiënt zelf verantwoordelijk is voor  de manier waarop hij met zijn ziekte omgaat. (Tenzij er een handicap bestaat waardoor de patiënt niet zelf verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn ziekte.)  Toch zal een en ander goed uitgesproken en genoteerd moeten worden. De arts/POH en DVK hebben een zorgplicht.

De DVK/POH is er om te ondersteunen en samen met de patiënt te kijken wat voor diens situatie de beste oplossing is.

Soms is moeilijk te achterhalen wat de reden is, maar denk altijd aan de volgende oorzaken:

  • Niet begrijpen van de voorlichting (analfabeet, anderstalig, laag niveau)
  • Niet kunnen opvolgen van de voorlichting, omdat deze niet is afgestemd op de leefomstandigheden van de persoon (‘9 tot 5’ voorlichting aan vrachtwagenchauffeur)
  • Niet willen volgen van de leefregels (andere opvatting, tegenstrijdige voorlichting door hulpverleners)
  • Angst voor hypo (bang om in coma te raken of dood te gaan)
  • Angst voor glucosemeten (angst voor de naalden)
  • Geen vertrouwen hebben in de DVK/POH
  • Angst voor de gevolgen van de ziekte (struisvogelpolitiek)
  • Niet accepteren van de ziekte (alleen met goede vertrouwensband kom je hier achter)
  • Omgeving zorgt voor onzekerheid ( omgeving zegt iets anders of vindt leefregels ‘raar’ )
  • Depressiviteit
  • Psychiatrische stoornis (borderline, schizofrenie)

Wat u  als POH zelf dient na te gaan:

  • Zijn er onderliggende ziektes die de ontregeling kunnen veroorzaken (denk aan neuropathie waardoor hypoglycemie minder goed wordt opgemerkt en vertraagde maagontlediging optreed).
  • Kwetsbare patiëntgroepen: alleenwonend, bejaard, slechte visus, alcoholabuses, lage sociaal economische status, eerder doorgemaakte ernstige hypoglycemie of recidiverende hypoglycemie.
  • Is de patiënt betrokken bij zijn ziekte?
  • Is er een individueel zorgplan voor de patiënt, waardoor hij meer betrokken wordt bij zijn ziekte?
  • (uit onderzoek is gebleken dat het welzijn en de gezondheidsbeleving van de patiënten significant verbeterd wanneer zij aan zelfmanagement doen).

Conclusie:

Er zal altijd een groep patiënten zijn die ondanks alle inspanningen niet goed in te stellen is. Voor deze groep geldt dan: streef naar het best haalbare.

© 2019 Steunpunt KOEL