1.4.2. Jaarcontrole insulinetherapie

(Ten minste) eenmaal per jaar ziet de huisarts de diabetespatiënt zelf. Er vindt dan een herevaluatie plaats van de individuele streefwaarden. De huisarts informeert naar het algemeen welbevinden, eventuele visusproblemen, angina pectoris, claudicatio intermittens, tekenen van hartfalen, alsmede sensibiliteitsverlies, pijn of tintelingen in de benen en eventuele tekenen van autonome neuropathie, zoals maagontledigingsproblemen of diarree. De huisarts vraagt expliciet naar eventuele seksuele problemen (erectieproblemen, libidoverlies, verminderde lubricatie) en bespreekt met de patiënt dat er soms behandelingsmogelijkheden zijn, bijvoorbeeld het weglaten van de gebruikte bètablokker, ACE-remmer of simvastatine. De huisarts gaat na of er aanwijzingen zijn voor het bestaan van een depressie (zie de NHG-Standaard Depressie). De huisarts is alert op cognitieve problemen die mogelijk van invloed zijn op het medicatiegebruik. Verder stelt de huisarts aspecten van de leefstijl aan de orde, zoals roken, lichaamsbeweging en alcoholgebruik.

Ook als de patiënt geen klachten heeft, verricht de huisarts bij de jaarlijkse controle lichamelijk onderzoek gericht op het ontdekken van chronische complicaties.

Het onderzoek bestaat uit:

  • bepaling van het lichaamsgewicht
  • meting van de bloeddruk
  • beoordeling van de conditie van de voeten
  • inspectie van de spuitplaatsen
  • inspectie van de mond (waarbij gelet wordt op tekenen van parodontitis), advies om  tweemaal per jaar de tandarts en/of mondhygiënist te bezoeken

Controle glykemische instelling:

  • eenmaal per 2-4 weken een 4-puntsdagcurve
  • 3 maandelijks het HbA1c

Laboratoriumonderzoek:

  • nuchtere glucose, HbA1c
  • serumcreatinine
  • eGFR en serumkalium
  • lipidenspectrum
  • albumine/creatinine-ratio of de albumineconcentratie in de urine

Na de eerste controle wordt de funduscontrole tweejaarlijks herhaald. Als er geringe tekenen van retinopathie zijn (enkele aneurysmata) is jaarlijkse funduscontrole aangewezen. Indien substantiële diabetische retinopathie aanwezig is, wordt de patiënt voor diagnostiek verwezen naar de oogarts. De oogarts bepaalt daarna de controlefrequentie; de huisarts bewaakt of de controles daadwerkelijk plaatsvinden.

 

© 2019 Steunpunt KOEL