1.3.1.e. Zelfcontrole

Doel zelfcontrole:

Door middel van zelfcontrole kan het volgende worden bereikt:

  • Het inzicht in het bloedglucoseverloop verhogen
  • Het kan de zelfstandigheid verhogen
  • Het kan de motivatie verhogen
  • Het maakt ambulante instelling op insuline mogelijk
  • Biedt de mogelijkheid tot zelfregulatie
  • (Dreigende) hypo’s en hypers kunnen sneller onderkend worden
  • Vergroten van het inzicht van de patiënt in het verloop en de aard van het ziektebeeld

Uitvoeren van zelfcontrole: zie bijlage F.c. (EADV richtlijn zelfcontrole).

Aandachtspunten voor educatie bij zelfcontrole:

  • Het belang van zelfcontrole, dagcurve en registratie
  • Normaal-/streefwaarden
  • Invloeden van voeding, beweging, alcohol, stress, ziekte en medicatie
  • Wanneer betreft het incidentele bepalingen (bijzondere situaties)
  • Wat te doen bij afwijkende waarden
  • Extra aandacht voor hypo-, hyperglycaemie (oplossingen, oorzaken, preventie)
  • Regelmatige ijking van glucosemeter

Zie ook de samenvattingskaart zelfcontrole in bijlage F.d.

Techniek zelfcontrole:

Geef de patiënt de juiste techniek van zelfcontrole:

  • Handen wassen met zeep en warm water
  • Goed afdrogen
  • Evt. stuwen door de hand naar beneden te laten hangen en masseren vanuit de handpalm
  • Teststrip plaatsen in de meter
  • Stel de prikpen in op de laagst noodzakelijke prikdiepte (deze pen is alleen voor persoonlijk gebruik en de naald is bestemd voor 1 maal prikken)
  • Prik aan de zijkant van vinger, niet in de top
  • Breng voldoende bloed aan op de teststrip
  • Glucosewaarde aflezen
  • Noteer de bloedglucosewaarde
  • Gooi strip weg en het lancetje in een apart bakje zodat anderen zich er niet aan kunnen prikken
  • Reinig de meter regelmatig
  • Meest ideaal is een meting op kamertemperatuur

 Praktische tips:

  • Bij bloedafname een prikapparaat gebruiken dat instelbaar is op verschillende standen.
  • Patiënt instrueren de laagst noodzakelijkste prikdiepte in te stellen.
  • Prikapparaat is alleen voor persoonlijk gebruik.
  • Voorkeur voor een professioneel prikapparaat (wegwerpnaalden) waarbij met dezelfde naald maar 1x geprikt kan worden.
  • Voor prikken handen wassen en goed afdrogen.
  • Na prikken de eerste druppel gebruiken voor zelfcontrole, indien niet de mogelijkheid aanwezig van handen wassen, dan de 2e druppel.
  • Prikken aan de zijkant van de vingertop.
  • Niet knijpen en/of stuwen.

© 2019 Steunpunt KOEL