1.1.8.b. Bloedsuikerverlagende medicatie

Stappenplan bloedglucoseverlagende middelen

Algemene uitgangspunten bij de medicamenteuze behandeling

  • Start de orale bloedglucoseverlagende middelen in de startdosering
  • Verhoog de dosering elke twee tot vier weken aan de hand van de nuchtere glucosewaarden.
  • Controleer tweemaal per week. Let op dehydratie, polyurie, daling van het bewustzijn en respons op de ingestelde behandeling;
  • Hoog de medicatie zo nodig met kortere tussenpozen dan twee weken op en start zo nodig met insuline;
  • Overweeg direct met eenmaal daags (middel)langwerkende insuline (bij voorkeur NPHinsuline) te starten op het moment dat de diagnose gesteld wordt bij glucosewaarden > 20 mmol/l in combinatie met klachten als gevolg van hyperglykemie (dorst, polydipsie, polyurie, vermagering). Overweeg in dit geval ook metformine te starten. Mogelijk betreft het een ander type diabetes (type-1-diabetes of LADA). Overleg zo nodig met een kaderhuisarts diabetes of internist.
  • Besteed bij elk consult, en ook voorafgaand aan de overgang naar een volgende stap aandacht aan het belang van een gezonde leefstijl (en bespreek eventuele belemmeringen om de geïndiceerde interventies toe te passen) en juist gebruik van de medicatie.
  • Ga over naar de volgende stap als ophoging van de dosis door bijwerkingen of door het bereiken van de maximale dagdosis niet meer mogelijk is én het HbA1c boven de streefwaarde ligt.
  • Ga ook over naar de volgende stap indien behandeling met een van de middelen uit het stappenplan op bezwaren (bijwerkingen, contra-indicaties, interacties) stuit. Continueer de metformine en overweeg dit ook voor het sulfonylureumderivaat.
  • In geval van (tussentijdse) klachten als gevolg van hyperglykemie (doorgaans glucose > 15 mmol/l):probeer de oorzaak te achterhalen (zoals comedicatie, infectie, veranderd inspannings of eetpatroon, onvoldoende therapietrouw) en overweeg ook andere typen diabetes (type-1-diabetes, LADA);
  • Overweeg de medicatie af te bouwen bij kwetsbare ouderen en mensen met een beperkte levensverwachting (arbitrair: korter dan vijf jaar). Richt de behandeling bij deze patiënten vooral op het voorkomen van symptomatische hypo- of hyperglykemie (globale streefwaarden glucose 6-15 mmol/l; daarboven ontstaan vaak klachten. Een HbA1c tot 69 mmol/mol is acceptabel).





© 2019 Steunpunt KOEL